Met enige regelmaat worden binnen de kring van de Gereformeerde Bond uitspraken gedaan die mij uit het hart gegrepen zijn. Ik zeg dat niet omdat ik lid ben van die Bond, want ik ben nergens lid van. Misschien komt het wel omdat ik de Gereformeerde Bond, vanwege haar liefde voor de Schrift, waarachtig een warm hart toedraag. Daar komt bij: ik ben nu eenmaal uit die Bond geboren.
Neem nu de kwestie van het kerklied. Al is er in heel Nederland niet een gemeente te vinden die uitsluitend psalmen zingt (altijd kan er wel een ‘enig’ gezang gezongen worden), gezangen zingt de Bond liever niet. Voor gezangen lijkt de Bond bang.
Nu zijn op dit front momenteel posities aan het verschuiven. Meer en meer worden er gezangen gezongen… Reden tot bezinning! Krant en internet melden: ‘Kerkenraden komen zelden op basis van Bijbelse argumenten tot een wijziging van de liturgie. Het gebeurt vaak omdat de gemeente erom vraagt. Dat concludeert het hoofdbestuur van de Gereformeerde Bond na een onderzoek.’ Prof. dr. M. J. de Vries, lid van het hoofdbestuur van de bond, beschrijft de bevindingen op de website van ‘De Waarheidsvriend‘, het orgaan van de Gereformeerde Bond.
De Vries vreest dat kerkenraden onvoldoende in staat zijn om leiding te geven als discussie ontstaat over het zingen van psalmen en daar kon hij wel eens groot gelijk in hebben. Laten we eerlijk zijn: kerkenraden (dominees voorop) zijn tamelijk bang voor kritische gemeenteleden. Wij willen het liefst geen gedoe, laat staan herrie in de ‘tent’. De veiligste weg lijkt (!) daarom vaak die van de minste weerstand: alles laten zoals het is.
Maar wat doe je als er een grote groep in de gemeente is die een bepaalde verandering wil? ‘Ongeveer de helft van de enquêtes komt uit gemeenten die in bijzondere diensten ook andere liederen dan psalmen zingen, aldus prof. De Vries.’ En wat blijkt? ‘Het overgrote merendeel van deze gemeenten heeft hiertoe besloten, omdat “de gemeente daar naar vroeg.”‘
Volgens de hoogleraar is het op zichzelf nog niet zo verontrustend als een kerkenraad rekening houdt met de wens van de gemeente. Als er daarnaast geen toetsing is van het besluit aan de Bijbel, is dat volgens De Vries wel zorgelijk. ‘Kerkenraden zouden op dit punt moeten doen wat in het algemeen hun kerntaak is, namelijk geestelijke leiding geven. Dat daarbij de stem van de gemeente meegewogen wordt, is goed, maar in de christelijke gemeente geldt niet als wet hoe wij het graag willen hebben, maar hoe de Heere het wil hebben.’
Vooral dit laatste is mij uit het hart gegrepen! Nu moet ik toegeven dat, hoewel ik al veertig jaar voorganger ben, ik Gods wil op het punt van de liturgie maar zeer ten dele meen te kennen. Toch vermoed ik sterk dat drie zaken op Gods verlanglijst staan.
Allereerst zal ons kerklied een Bijbels lied moeten zijn. Ik bedoel: geen modieuze tekst over indrukwekkende natuurelementen, hoe poëtisch ook verwoord; geen fraaie, maar vage toespeling op religieuze gevoelens waarin iedereen zich wel zo’n beetje vinden kan, maar klare taal die het evangelie in alle ernst vrolijk laat klinken.
In de tweede plaats zal ons kerklied een kwaliteitslied moeten zijn. Voor de Allerhoogste is het beste nauwelijks goed genoeg. Wij mogen geen genoegen nemen met rijmelarijen die naar de mottenballen van de pruikentijd ruiken; wij mogen geen genoegen nemen met foute vertalingen van zweverige clichéversjes; wij mogen geen genoegen nemen met sentimentele, zeurderige of anderszins onmogelijke zangwijzen die alleen door geoefende bands gespeeld en door professionele koren ten gehore gebracht kunnen worden – de kerk verdient een boek met liederen die waardig en vaardig door de goegemeente kunnen worden gezongen.
Van dit alles vermoed ik sterk dat de Eeuwige er hoge prijs op stelt (ook al weet ik best dat een lied uit de kindermond wellicht veel te wensen overlaat en toch als muziek in de oren van de Allerhoogste klinkt!). Van één ding weet ik echter zelfs heel zeker ‘hoe de Heere het wil hebben’. Hij wil niet alleen een Bijbels lied, niet alleen een kwaliteitslied, maar vooral een christelijk lied: een lied waarin Christus met naam en toenaam wordt geprezen. En met alle respect voor de Psalmen: dat doen de Psalmen niet. Terecht zei de Anglicaanse priester en dichter John Donne: ‘Psalmen zijn het manna van de kerk.’ Ze zijn als brood voor de ziel. De Psalmen vormen letterlijk het hart van de Bijbel. Maar figuurlijk vormen ze het hart van de Bijbel niet! Christus is het hart van de Schrift. In de Psalmen is hooguit zijn silhouet te zien: de messiaanse koning die zal komen. Eerst in het evangelie verschijnt Hij stralend onder ons en in de epistels van de apostelen wordt Hij geopenbaard in zijn hemelse heerlijkheid: de Zoon des mensen, delend in de glorie van God, zijn Vader.
Ik ben opgegroeid in een ‘Hervormde Evangelisatie op Gereformeerde Grondslag’. Die was er onder andere omdat in de kerkelijke gemeente een vrijzinnige dominee stond. ‘Vrijzinnigen moeten weinig of niets van Jezus hebben: een goed mens, maar meer ook niet’, zo werd (nogal kort door de bocht) mij voorgehouden. Eigenlijk kwam Jezus als Verlosser nauwelijks ter sprake. Haaks daarop de wereld van de orthodoxie: daarin stond de naam en de persoon van Christus centraal. En inderdaad: in de prediking was en is dat ook zo. Maar hoe anders in het kerklied! Waar klinkt de naam Jezus, dan alleen in vier van de ‘enige gezangen’ die mondjesmaat worden aangeheven? Hoe orthodox is het dat met Kerst, Goede Vrijdag en Pasen de naam van Jezus niet in het kerklied klinken kan? Hoe ‘vrijzinnig’ is deze orthodoxie! Zingend zwijgt ze Christus dood. Is het vreemd dat door de eeuwen heen gemeenten om gezangen schreeuwen? Het is de Geest zelf die deze schreeuw verwekt. Het is de Geest van de Vader, die zijn Zoon de hoogste eer toekent die denkbaar is: die van zijn eigen troon.
22 maart 2012







